Dierbaarheid: het woord voor 2026

Voor mij heeft 2026 een woord. Dierbaarheid. Niet als iets kleins of liefs, niet als iets wat je bezit of vasthoudt, maar als een manier van in de wereld staan.
Dierbaarheid is wat ontstaat wanneer je werkelijk ziet wat leeft. Een dier, een boom, een landschap, een lichaam, een adem die niet van jou is, maar wel naast de jouwe bestaat. Het is het besef dat niets hier is om gebruikt, ingedeeld of opgebruikt te worden, maar om te bestaan, op haar eigen manier, in haar eigen tijd.
Leven begint niet bij nut en eindigt niet bij wat wij ermee kunnen. Het is geworteld in aanwezigheid, in een betekenis die niet door ons wordt toegekend, maar er al is, lang voordat wij haar benoemen.
Dierbaarheid vraagt nabijheid en vertraging. De moed om geraakt te worden en niet meteen weg te kijken, te verklaren of te beheersen. Het vraagt dat we niet wegkijken, ook wanneer het ongemakkelijk is, ook wanneer afwenden eenvoudiger lijkt.
Het betekent dat kwetsbaarheid geen zwakte is, maar een taal. Dat wat breekbaar is geen management vraagt, maar bescherming, aandacht en zorg. Niet alles hoeft opgelost, benoemd of benut te worden om waarde te hebben.
In een wereld die steeds sneller rekent, telt, ordent en optimaliseert, wil ik mij blijven richten op wat ademt, groeit en zwijgend aanwezig is. Op alles wat leeft en ons, zonder woorden, vraagt om zorgvuldigheid en aandacht.
Niet uit naïviteit, maar omdat zonder dierbaarheid richting en samenhang verdwijnen.
Laat dierbaarheid richting geven aan hoe we kijken, kiezen en leven.


