Wat wij normaal zijn gaan vinden

Soms voelt het alsof ik leef bovenop een massagraf, waar goudsbloemen bloeien en eiken zwijgend getuigen.
We weten het. We weten het allemaal. Dat dieren op enorme schaal worden gefokt, vastgezet, verplaatst, gebroken en gedood. Systematisch en eindeloos. Zo groot dat het abstract wordt. Zo georganiseerd dat het lijkt alsof niemand verantwoordelijk is.
Het zijn geen monsters die dit doen, maar systemen, machines, protocollen, logistiek, verhalen en taal. Woorden die verzachten wat niet zacht is. Efficiëntie die geweld hernoemt tot noodzaak.
Wat mij naast al dat lijden ook raakt, is hoe normaal het is geworden. Hoe we wegkijken zonder dat we het nog doorhebben. Hoe mededogen iets is wat je ‘erbij’ doet, in plaats van het vertrekpunt.
Ik voel geen behoefte om harder te schreeuwen, maar een weigering, al zo lang als ik me kan herinneren. Een diepe nee in mijn lijf. Nee tegen een wereld die leven reduceert tot grondstof. Nee tegen een orde waarin gevoeligheid naïef heet en compassie een luxe is. Nee tegen het idee dat dit nu eenmaal zo is.
Dit alles gaat over een uitnodiging tot wakker blijven. Tot niet meegaan in de verdoving. Tot samen voelen dat dit niet klopt. Tot ruimte maken voor een andere verhouding, hoe onhandig en langzaam ook.
Misschien begint verandering met het niet meer normaal vinden. Met blijven kijken. Met niet vergeten dat dit levende wezens zijn.
Ik weet niet veel, maar dit voel ik als zekerheid: Ik wil mijn leven niet bouwen op afgestompte acceptatie. Ik wens een wereld die het leven waardig behandelt, of tenminste het verlangen daarnaar niet verliest.
PS. De foto bij deze woorden is van Mila, die vrij en geliefd leeft op De Nobele Hoeve. Voor haar, en voor zovelen die die vrijheid niet kennen, schreef ik eerder het stuk Taal die niet langer zwijgt voor het Nobele Magazine.


