Overleving en de wond van de scheiding

Over scheiding, overleving en wat onze omgang met de levende wereld ons over onszelf vertelt.

Er is iets waar ik al een tijdje over mijmer. Het gaat over de manier waarop we kijken. En over het verhaal dat we daarin zijn gaan aannemen als waarheid.

Een hond is afhankelijk, zeggen we. Hij heeft ons nodig. En dan zit ik op het erf en kijk naar hoe Sven de lucht leest, hoe zijn neus de wind volgt op een manier die mijn ogen nooit zullen kunnen. Hoe hij een ongemak ruikt in een kamer voor er een woord is gevallen, hoe hij verandering oppikt voordat ik me ook maar ergens bewust van ben. Wie heeft precies wie nodig?

We spuiten de velden omdat de planten anders niet groeien, denken we. We bemesten de bodem omdat zij anders uitgeput raakt, geloven we. Maar diezelfde bodem wist al hoe zichzelf in leven te houden nog voordat wij er waren. Schimmels die suiker uitwisselen met wortels. Bacteriën die stikstof binden. Wormen die structuur maken van wat wij dood noemen. Een systeem zo oud en zo fijnmazig dat geen laboratorium het heeft kunnen nabootsen, terwijl wij het dagelijks platleggen met pesticiden en ons daarna afvragen waarom de oogsten steeds afhankelijker worden van wat wij eraan toevoegen.
Hoe meer we ingrijpen, hoe meer we denken nodig te zijn.

Ik weet niet wanneer het begon, dit geloof dat de natuur zonder ons in gebreke blijft. Dat wij de maat zijn en de referentie. Het is langzaam gekomen. De eerste weg, het eerste hek. Een dier aan een touw, een rij lelies. De vrouw die geen kruidenpreparaten meer mocht maken en het kind dat niet meer tussen de paardenbloemen en in de modder mocht spelen. Het varken dat tussen tralies moet liggen, omdat haar lichaam te gevaarlijk zou zijn voor haar eigen kinderen.

Het is een kleur die langzaam in het water is gevallen, totdat het water altijd zo heeft geleken.

Dieren die ons niet nodig hebben noemen we wild, alsof dat een tekort is. Planten die groeien zonder toestemming noemen we onkruid. Alles wat buiten onze orde leeft krijgt een naam die haar eigen veroordeling al in zich draagt. Maar we vergaten. Een woud regelt haar waterhuishouding via de dampuitstoot van miljoenen bladeren. Een roedel wolven kan de loop van een rivier veranderen, doordat herten anders gaan grazen, oevers anders begroeien en erosie wordt afgeremd. De bever zorgt dat niets te snel verdwijnt. Dat water kan blijven meanderen. Dat zij stroomt en stopt, zakt en stijgt, op momenten die niet door ons bedacht hoeven worden.

Een samenhang die spreekt, ook als wij verleerd zijn te luisteren. Al vergat niet iedereen. Er zijn altijd mensen gebleven die kijken en leven in wederkerigheid. Maar de wereld die de regels schreef, de hekken zette en de namen gaf, vergat wel.

En dan vraag ik me af: als de levende wereld een intelligentie bezit die onze interventies overtreft, wat zegt dat dan over eeuwen van ingrijpen? Over het idee dat meer kennis meer controle is, en meer controle beter?

Er is een verschil tussen onwetendheid en wegoefenen. Onwetendheid overkomt je. Wegoefenen doe je. Ik denk dat wij iets hebben weggeoefend, een soort kijken dat dicht bij dingen bleef zonder ze meteen ergens in te plaatsen. Een kind dat naar een vlinder kijkt totdat ze er bijna deel van uitmaakt. Wij zijn dat kijken niet verloren zoals je een sleutel verliest. We hebben het vervangen door iets zogenoemd efficiënters en zijn daarna vergeten dat iets daarvoor plaats moest maken.

En nu missen we iets en weten we niet wat.
Dat is de rouw, denk ik. Niet alleen de rouw om wat verdwenen is, de soorten, de stilte, de donkerte, de bodems die niets meer dragen en de dieren die in de marges langzaam wegtrekken. Maar ook de rouw om de manier van kijken die ons had kunnen laten zien wat er aan het verdwijnen was. We hebben het instrument verloren voordat we wisten waarvoor het diende.

Ik herken het in mezelf. In de manier waarop ik grip wil houden op wat ik liefheb. In de angsten die ik voel voor het onbekende en in de reflex om te regelen wat ik misschien ook zou kunnen laten zijn. Die reflex is oud. Ze voelt als overlevering, iets dat in het vlees geschreven staat.
Want misschien begon deze scheiding niet alleen uit arrogantie. Misschien begon ze ook uit angst. Angst voor tekort. Voor de winter die te lang duurt, de oogst die mislukt, het kind dat koorts krijgt zonder dat je weet waarom. Voor een ander die jouw plek dreigt in te nemen. Voor liefde die zo gezocht werd, maar niet gevonden.

Uit die angst bouwden we wellicht controle, om erin te kunnen overleven. De pesticiden, de tralies, het inperken van wat leeft: misschien begon het niet alleen als geweld met de intentie om af te nemen en pijn te doen, maar ook als een angstige vorm van zorg. Een mantel die warmte moest geven, terwijl we langzaam de taal vergaten van wat ons al die tijd droeg.

Ik moest denken aan een zin van Angell Deer: ‘the root cause of your behaviours is never brokenness, it is survival.’ Wat nou als we niet kapot zijn, maar bang geweest? Bang zijn is iets anders dan fout zijn. Maar het verklaart misschien waarom het zo moeilijk is om te stoppen. Hoe laat je iets los wat je leven heeft gered, ook als datzelfde iets nu een bron van verlies is? Hoe herken je iets dat zich gegrift heeft in je botten?

Wat ik herken, in mezelf en in de mensen met wie ik hierover praat, is iets waarvoor ik lang geen woord had. Ik voelde vele jaren onrust, een gevoeligheid voor een wereld die niet als thuis klinkt. Een heimwee naar iets wat ik nooit bewust heb gekend, maar toch ben kwijtgeraakt. Er zit een gemis in me dat geen bodem heeft. Alsof er een vertrouwdheid in me zit met een wereld die ik nooit heb bewoond, maar waarvan mijn lichaam nog weet hoe ze ruikt. En ik vind haar niet in deze wereld van de tienduizend dingen, maar ik blijf er hongerig naar.

Er zijn wezens die dat thuis gewoon weten.
Sven weet hoe de lucht vandaag ruikt en wat er in een kamer is veranderd voor ik het zelf heb gemerkt. Hij haalt zijn informatie niet uit berichten, maar uit wind, huid, adem, grond en uit het kleine verschuiven van een lichaam in de ruimte. Hij hoeft daar geen gedachte van te maken. Het is gewoon zo. Het is wat hij doet, wat hij weet en wie hij is. En ik kijk naar hem en voel iets bewegen in me dat ik niet goed kan pakken. Een herkenning van iets wat ik ben kwijtgeraakt voordat ik wist dat het kon verdwijnen.

Er is een lammetje van zeven dagen oud op De Peerdegaerdt dat bijna niet mocht blijven leven omdat haar been te duur was om te zetten. Ze ligt nu warm en geliefd te ademen thuis bij Helen. Haar dunne poten onder zich gevouwen. Haar mond nog zoekend naar melk. Wat zij daarvan weet, weet ik niet. Ze weet misschien vooral gras en haar eigen honger. De warmte van een andere vacht naast haar en de zorgzame hand op haar hoofdje. Ze had geluk omdat iemand keek en wist.
Ik weet niet of dat genoeg is, voor haar. Ik hoop het wel.

Voor ons is ze een spiegel waar we moeilijk rechtstreeks in kunnen kijken. Ze bestaat zonder onze betekenis nodig te hebben, en misschien verdragen we dat slecht. Dus geven we haar een naam, schrijven haar een verhaal, maken haar tot boodschap. En intussen vraag ik me af of we daarmee iets vereffenen. Of we haar verhaal vertellen omdat we haar zien, of omdat we haar nodig hebben.

Over Lisette
Lisette Kreischer is schrijver, fotograaf en herborist. Ze onderzoekt in haar werk de relatie tussen mens, de meer-dan-menselijke wereld en waardigheid. Ze is auteur van onder meer Drinkbare Aarde en medeoprichter van The Dutch Weed Burger en Floral Nectar for Honeys.

Dit essay ontstond naar aanleiding van een bericht over een lammetje genaamd Roos, en het gesprek dat zij opende over hoe wij de levende wereld behandelen. En over de stille schade van pesticiden, die dagelijks het weefsel vernietigt waarvan wij dachten dat het onze zorg nodig had.

1 Comment
  • Nicole Bertels
    Beantwoorden

    ❤️🙏

    21 mei 2026 at 13:10

Post a Comment

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.